Peter
Pohl
Peter Pohl over zichzelf:
Steeds vaker wordt me gevraagd wie ik ben en waarom ik schrijf, zulke dingen dus en daarom heb ik een antwoord op dit soort vragen opgesteld. Wie mij niet via het net kan bereiken, kan naar mijn huis schrijven, Häggvägen 2, 13552 Tyresö, dan stuur ik dit als gewone brief. Misschien is het wat saai en onpersoonlijk om zo antwoord te krijgen, maar ik heb eenvoudig geen tijd meer om op een aardige en persoonlijke manier over mezelf te vertellen. Ik hoop daarom dat niemand me dit kwalijk neemt. En ik hoop dat de tijd die ik op deze wijze uitspaar aan mijn toekomstige boeken ten goede komt. Meestal schrijf ik namelijk aan een of meer manuscripten tegelijk en zoiets kost tijd.
Schrijver ben ik in mijn vrije tijd, mijn beroep is leraar: docent aan de Technische Hogeschool in Stockholm, waar ik numerieke analyse geef, een vak dat zich bezighoudt met praktische wiskunde, berekeningen en resultatencontrole op computers; computerkunde en programmering maken dus deel uit van het vak. Dit beroep heb ik al sinds ongeveer 1966.
Misschien ben ik zo aan het verkeerde einde begonnen. Dit begin is beter:
ik ben in 1940 in Duitsland geboren. Tijdens de oorlog, de tweede wereldoorlog
die toen woedde, is mijn vader gestorven.
Aan het einde van de oorlog nam mijn moeder, die Zweedse was, mij mee naar
Zweden. Hier ben ik dus opgegroeid. Ik was vier jaar toen ik hier kwam en
ik heb heel snel Zweeds leren spreken; toen ik in 1947 voor het eerst naar
school ging kon niemand horen dat ik geen geboren Zweed was. Ik had een
echt studiehoofd en het lag daarom voor de hand dat ik na de vierde klas
naar de middelbare school. zou gaan. Ik kwam terecht op Södra Latin,
waar ik acht jaar bleef tot aan mijn eindexamen. Mijn voornaamste interesses
waren wiskunde en fysica maar ik haalde ook hoge cijfers voor Zweeds. Ik
had belangstelling voor sport, deed aan hardlopen op de middellange afstand,
boekte mooie resultaten en bereikte hoge plaatsen, voordat ik op mijn negentiende
het wedstrijdlopen opgaf. Doordat ik naar het zomerkamp van Södra Latin
(een soort vakantiekolonie voor de leerlingen van de school) ging, raakte
ik al vroeg geïnteresseerd in
jeugdvraagstukken. Ik begon op mijn vijftiende als jeugdleider en ging er
tot mijn dertigste mee door, dus tot 1970.
Na mijn eindexamen en dienstplicht studeerde ik wiskunde en fysica en aanverwante
vakken aan de universiteit. Dat ging heel snel. In 1963 begon ik als onderzoeksassistent
bij het onderzoeksinstituut van defensie en kreeg daar vervolgens een aanstelling
als onderzoeksingenieur, maar al gauw had ik genoeg van dat bestaan en stapte
over op onderwijs en onderzoek aan de Technische Hogeschool, zette mijn
studies voort en promoveerde in 1975 tot doctor in de numerieke analyse.
Al die tijd had ik ook geschreven. als zesjarige wilde ik al precies juiste
woorden vinden wanneer ik iets wilde vertellen of me herinneren. En ik wou
veel vertellen, besloot veel nooit te vergeten. Het lag dus voor de hand
de dingen op te schrijven of om een gedachte te noteren die ik, als het
zo uitkwam, leven in kon blazen. Misschien moet wat ik schreef een dagboek
genoemd worden of een gedachtenboek. Hoe je het ook noemen wilt, ik heb
in de loop der jaren heel wat afgeschreven omdat ik nooit opgehouden hen
mijn gedachten te noteren.
Toen ik klein was waren er een heleboel mensen die zeiden dat ik vast schrijver
zou worden, omdat ik altijd maar schreef en ik hoopte dat zelf ook. Ik las
echter veel, dus toen ik wat ouder werd, zag ik zelf in dat de woorden die
uit mijn pen vloeiden zelfs niet in de buurt kwamen van wat er in mijn hoofd
zat. Zo nu en dan probeerde ik iets te herschrijven wat ik een paar jaar
daarvoor geschreven had, maar het werd er nooit beter op.
Vanaf mijn dertiende jaar heb ik me intensief met fotograferen beziggehouden.
Ik dacht via het fototoestel een andere werkelijkheid te zien en gaandeweg,
naarmate ik ouder werd, deed ik serieuzere pogingen om het merkwaardige
dat ik zag te vertellen. Maar ik was even ontevreden over mijn fotoverhalen
als over mijn literaire probeersels. Toen ik tegen de veertig liep kwam
ik op het idee deze interessen te combineren en begon ik te filmen. Ik studeerde
veel. filmtheorie, maar leerde voornamelijk door zelf te filmen. Dat lukte
goed, ik kreeg diverse prijzen en onderscheidingen en dacht dat ik eindelijk
mijn juiste uitdrukkingsmiddel gevonden had. Het was het filmen dat me de
kunst leerde mijn gedachten uit te drukken en ze voor anderen duidelijk
te maken. Die kunst heeft veel te maken met eerlijk en oprecht durven zijn.
Dat was iets waar ik tevoren niet zo goed raad mee had geweten.
Ik voelde dat ik veel van wat ik wilde vertelde niet in film zou kunnen
onderbrengen en daarom besloot ik toch maar weer over die dingen te gaan
schrijven. En nu kwam er iets los; ik had, via het filmverhaal, mijn eigen
stijl gevonden. Ik ging in 1983 naar de Schrijverscursus van Ordfront en
constateerde dat mijn stijl inderdaad werkte. Als afsluiting haalde ik een
oud verhaal uit de jaren vijftig uit de kast, stofte het af en bewerkte
het. Mijn collega's op de cursus waren zeer enthousiast, moedigden me aan
om ermee door te gaan en in 1985 debuteerde ik als schrijver met Janne,
min vän (Jan mijn vriend).
Ik was wel een beetje teleurgesteld toen de buitenwereld in september 1985
geen vuurwerk ontstak, maar ik had geen tijd om erover te tobben. Mijn volgende
manuscript lag al bij de uitgever, Regnbâgen har bara âtta
färger (De regenboog heeft maar acht kleuren) en ik was inmiddels
alweer aan een nieuw boek begonnen, Wi kallar honom Anna, (We noemen
hem Anna). Maar in het voorjaar van 1986 kwam de aandacht voor Janne,
min vän toch nog op gang. Ik kreeg de debutantenprijs van Litteraturfrämjandet
en de Nils Holgersson-plaquette. Ik wist niet hoe schitterend die onderscheiding
was voordat ik de lijst met schrijvers zag die haar voor mij gekregen hadden.
De boeken kwamen in het najaar van 1986, resp. 1987 uit. De regenboog
heeft maar acht kleuren, dat als een boek voor volwassenen was uitgebracht,
trok zeer weinig aandacht en dan soms op een heel druilerige manier. Ik
vertel in dat boek over de jaren onmiddellijk nadat ik in 2weden was gekomen.
En tekst is nauw met mezelf verweven en de onverschilligheid waarmee het
boek ontvangen werd heeft me zeer onaangenaam getroffen. De reactie op We
noemen hem Anna, daarin ik vertel over een jaar in het vakantiekamp
van Södra Latin en over de school zelf, over mijn laatste jaar daar,
was veel heftiger. Het boek beschrijft onder meer hoe Anders (Anna genoemd)
dood gepest wordt .
Omdat ik toen schreef aan het vervolg op De regenboog heeft maar acht kleuren, schonk ik weinig aandacht aan de discussies of het boek geschikt was voor jongeren. Er lag een gat van negen jaar tussen De regenboog en We noemen hem Anna en ik had heel wat te vertellen. Intussen had de tijd mij en mijn schrijven ingehaald. mensen begonnen contact met me op te nemen en aldus werd ik bij het heden betrokken en wel op zo'n wijze dat ik waar ik mee bezig was opschoof en vol verontwaardiging Alltid den där Anette! schreef, dat in 1988 verscheen. Het is een kritisch verhaal over ons schoolsysteem en het speelt zich in deze tijd af. Ik merkte al gauw dat het niet hetzelfde is kritiek te leveren op het heden als om dat te doen op dingen die zich twintig, dertig jaar geleden afgespeeld hebben. Ik moest een andere uitgever zoeken om het boek uitgegeven te krijgen en toen het uitkwam werd het afgekraakt. Bovendien bleef het stil rond een korte roman die in datzelfde jaar verscheen, Havet inom oss, dat over het nogal tragische lot van een vrouw gaat, een lot waarvan ik kennis had en waarover ik moest schrijven. Ik had haar leven enkele jaren tevoren ook al in een film verwerkt, Resan till havet. .
Wat daarop volgde is eigenlijk niet meer dan een opsomming van boektitels en iedereen kan dat aspekt van mijn bestaan in elke bibliotheek vinden.
Dan nog een paar wetenswaardigheden van het soort waarnaar me gevraagd
wordt:
Ik schrijf hoofdzakelijk op de computer, werk dus met tekstverwerkers, maar
als het nodig is schrijf ik ook gemakkelijk met de hand. Bewerking van wat
ik geschreven heb, gebeurt altijd op de computer. Ik schrijf graag heel
heel lang achterelkaar door, soms, als ik in de stemming ben, kan er een
hele nacht zonder pauzes verstrijken. Maar ik kan ook goed korte tijden
of een uurtje schrijven of wat er op dat moment mogelijk is. Het kost me
geen moeite me aan het schrijven te zetten, ik hoef mezelf niet aan te sporen,
niet te piekeren, geen andere kleren aan te trekken, koffie te drinken en
het soort dingen te doen, waarmee - naar ik gehoord heb - de tijd die je
voor schrijven ter beschikking hebt tussen je vingers doorglipt. Vermoedelijk
verzamel ik onbewust de voor het schrijven benodigde krachten, tenzij ik
ervan afgehouden wordt door mijn verplichtingen als leraar. Ik begin nooit
aan een boek te schrijven voordat ik de afloop ken. Ik heb (in mijn hoofd
of op schrift) dan al een ruw plan voor de handeling opgesteld.
Meestal schrijf ik eerst de gedeelten die ik heel graag wil schrijven, leg
die daarna in de juiste volgorde en vul dan de tussengedeeltes in. Een enkele
keer komt het echter ook voor dat ik een boek in chronologische volgorde
schrijf. Hoe het geheel ook tot stand mag komen, ik ben daarna nog lang
bezig met het opnieuw doornemen en veranderen van het manuscript: eraan
toevoegend, schrappend, betere formuleringen vindend. Ik hecht zeer sterk
aan de juiste formulering en hou niet op voordat ik tevreden ben, dat wil
zeggen totdat ik erin geslaagd ben datgene uit te drukken wat ik van het
begin af aan heb willen zeggen. En terwijl ik dat doe, denk ik niet aan
een speciale lezer. Ik zeg altijd (en dat is ook zo) dat ik me tot mijzelf
richt, tot de jongen die ik eens was en die naar de bibliotheek ging om
het Boek Dat Het Bestaan Zou Verklaren te vinden. Ik trek me er dus niets
van aan of ik nu een boek voor jongeren of voor volwassenen aan het schrijven
ben, dat is meer iets voor de uitgever.
Zoals misschien blijkt uit wat ik tot nu toe gezegd heb, haal ik de inspiratie
en het materiaal voor mijn boeken uit de werkelijkheid. Als ik over het
verleden vertel, vormen mijn dagboeken, gedachtenboeken en eerdere schrijfprobeersels
een buitengewoon rijke bron waar ik uit kan putten. Ik bewerk dat materiaal
natuurlijk voor een groot gedeelte, maar zelf vind ik niet dat ik veel hoef
te bedenken.
Ik heb nog steeds veel om over te vertellen, maar ik ben niet van plan om
die reden mijn werk op de Technische Hogeschool op te geven. Ik vind het
voor mij als schrijver belangrijk om aan het gewone leven deel te nemen,
om te zien en te horen hoe mensen leven. En dat dagelijkse leven inspireert
me ook tot het schrijven van nieuw werk. Het boek Man har ett snärj
heeft zo'n achtergrond. Ik zou dat verhaal nooit gevonden hebben als ik
me in mijn werkkamer opgesloten had.
Sinds ik mijn literaire stijl gevonden heb, heb ik niet meer gefilmd. De
laatste film die ik gemaakt heb, in 1991, Det blir bättre nästa
gäng, (Dat wordt de volgende keer beter), heeft vooral in het buitenland
veel succes gehad. Maar er zal geen 'volgende keer' komen.
Ik woon sinds 1969 in een villa in Tyresö, ten zuiden van Stockholm
met vrouw en dochter (geboren 1972) en een wisselend aantal katten en honden
(op dit moment van elk één).
Ik lees veel vakliteratuur naast literaire boeken (maar kan op dit moment
geen favoriete auteur noemen), ga naar de bioscoop en naar toneel, luister
naar muziek, ontmoet vrienden en ik trim in de vrije tijd die ik over heb
wanneer ik niet schrijf, wat ik meestal doe.
Ik hou van al mijn boeken evenveel. Over enkele heb ik het nodige te berde
gebracht. Je kunt een deel daarvan via trefwoorden in mijn bibliografie
vinden.
Bedankt voor je belangstelling!
Peter Pohl
Van Peter Pohl verscheen bij Querido:
* Jan, mijn vriend (jeugdroman, 1991)
* We noemen hem Anna (jeugdroman, 1993)
* De regenboog heeft maar acht kleuren
(jeugdboek, 1995)
* Ik mis je, ik mis je! (jeugdroman,
1994)
* leverbaar